'Nieuwe vogelsoort ontdekt' kopte de krant. Het was de Machaeropterus Eckelberryi. 'Hij heeft een rood kuifje en felgele borstveren. Deze kleurrijke zangvogel werd in de jaren negentig al gezien in Peru, maar het afgelopen jaar is hij beschreven als een aparte soort. Hij onderscheidt zich van verwante soorten in Peru en Venezuela door zijn zang, zo ontdekten wetenschappers. Het diertje is vernoemd naar de Amerikaanse vogelschilder Don Eckelberry.'

schilderij van Don Eckelberry
Schilderij van Don Eckelberry

Bij een dergelijk bericht spat mij de jaloezie uit de ogen. Hoe is het in vredesnaam mogelijk zo'n beweeglijk zangvogeltje lang genoeg in het vizier te houden om het te determineren? Ik maak weleens een wandeltocht met vrienden die dan een indrukwekkende verrekijker op hun borst dragen en overal boomkruipers of -klevers ontwaren, die als ik kijk net altijd achter een boomstam zijn verdwenen. Of een gele kwikstaart. Het schijnt een heel mooi vogeltje te zijn. Dus dat zo'n Amerikaan het beestje doodgemoedereerd zou kunnen schilderen, wil er bij mij niet in. En het mag al helemaal een godswonder heten als je dan ook nog het gekwinkeleer van het beestje kunt onderscheiden.

Ik ben zo iemand die zich dan maar troost met het gedicht De Dapperstraat van J.C. Bloem. Dat ken je vast wel.

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Toch is het juist dat zolderraam, de dakkapel die vanuit mijn werkkamer uitzicht biedt op de bomen langs het Maas-Waalkanaal, die mijn interesse in vogels heeft veroorzaakt. Pal voor mijn raam zit ik soms zomaar wat voor me uit te staren naar de voorbij varende boten, als ineens een vogeltje op een tak, vlakbij, mijn aandacht trekt.  Als je dan goed kijkt, zie je wat een prachtige kleuren de meest ordinaire tuinvogeltjes hebben: blauw, geel, groen, bruin, rood, oranje. Vooral in de winter, als de bomen kaal zijn, kun je ze goed zien en zeker sinds ik een klein verrekijkertje heb aangeschaft. Helaas ben ik meestal te laat met dat kijkertje. Ik mis de scherpte van de Bulgaarse wandelgids die ons eens in het Rilagebergte vergezelde. Die trok zijn verrekijker zo razendsnel, dat we hem Lucky Luke noemden, een bijnaam waar hij zeer tevreden mee was. Hij zag alles.

Machaeropterus Eckelberryi (foto: Andy Kratter, Florida Museum of Natural History)
Machaeropterus Eckelberryi (foto: Andy Kratter, Florida Museum of Natural History)

Waarom kunnen die verdomde zenuwlijertjes niet eens een tijdje stil zitten? Ze zouden een voorbeeld moeten nemen aan dat glanzend gouden vogeltje dat ik elk jaar in mijn kerstboom zet. Die beweegt hooguit als de tocht erlangs strijkt wanneer iemand de deur opent. Of waren ze maar opgezet, zoals de vogels uit het depot van De Bastei, die ik mocht lenen om te etaleren in een vitrine als promotie voor een lezing van boswachter Thijmen van Heerde. Toen ik met mijn doos vol vogels arriveerde in de bibliotheek waar de lezing zou zijn, kwamen uit alle hoeken en  gaten van de leeszaal kinderen tevoorschijn, gefascineerd door de vogeltjes die ik uitstalde:  klapekster, putter, kramsvogel, koperwiek, baardman, kleine karekiet, blauwborst, smient, nonnetje, wintertaling. (Als je een aantal vogelnamen achter elkaar zet, krijg je vanzelf poëzie.) Een beetje griezelig waren ze wel, vonden de kinderen: echte vogeltjes, maar dood.

Nee, dan is het toch wel leuker om die acrobaatjes in volle actie bezig te zien. Maar vraag mij niet naar namen, want buiten mus en merel  ben ik volledig ornithobeet. O, en de lepelaar natuurlijk. Op de bandijk in de Ooijpolder staan soms vogelkenners met telescopen te kijken naar de lepelaars aan de overkant van de Oude Waal. Die vogels staan daar tenminste geduldig en zijn tot mijn enthousiasme zo groot, dat ik ze zelfs door mijn ondermaatse verrekijker kan zien. Dat beeld ontroert mij, die witte vogels die glanzend in de zon daar met hun snavels maar wat rondplassen op hun hangplek. Maar waar de vogelaars het hebben over zwarte stern of rietgors, moet ik afhaken. Ik zou trouwens best eens door zo'n sterke telescoop willen kijken, maar voel me in dit gezelschap toch al enigszins misplaatst en durf het niet te vragen.  

Fietsend langs het Veerse Meer zag ik eens een flamingo staan, knalroze. Het leek wel een droombeeld. Aan de rand van het water stond een man door zijn telescoop te turen. Opgewonden wees ik hem op de flamingo. Hij keek me minachtend aan. 'Zo’n ijslollie! Die hoort hier helemaal niet thuis,' zei hij humeurig.

Vogelliefhebber zijn is als viool spelen, vrees ik. Je moet er vroeg mee beginnen.

Jos Schoots