Na jarenlange voorbereidingen en hard werken opende De Bastei, centrum voor natuur en cultuurhistorie, op 19 mei 2018 de deuren aan de Waalkade in Nijmegen. Bij de realisatie van De Bastei zijn zeer veel mensen betrokken. Personen die elk hun eigen expertise en vaardigheden inbrengen. Maak kennis met deze mensen én het gebouw in onze interviewserie 'De Bastei in Beeld'. Deze keer spraken we met Cees Alewijnse, de kleinzoon van de stichter van het bedrijf Alewijnse. Dit bedrijf was gevestigd aan de Waalkade, precies op de plek waar nu De Bastei is verrezen.

Met Cees Alewijnse belanden we in de prehistorie van De Bastei, die toen nog de Stratemakerstoren heette en verborgen zat onder de huizen die er later overheen gebouwd zijn. In het pand ernaast vestigde zich rond 1900 het bedrijf Alewijnse. Eigenlijk heeft het oude vestingwerk altijd in de weg gezeten, want het bedrijf groeide en breidde zich uit. "Bij elke verbouwing kwamen we de Stratemakerstoren tegen", zegt Alewijnse. "Ik kan me nog herinneren dat er een gang gemaakt was dwars door de Stratemakerstoren heen naar de achterkant aan de Lange Baan, waar een fabrieksruimte was. Die toren zat echt in de weg en er was nog geen benul van de waarde van het gebouw. Er werd gewoon gehakt en opengebroken en er werd echt niet mee omgegaan als een monument. Tegenwoordig zou dat niet meer kunnen." In deze aflevering van De Bastei in Beeld zullen we zien dat het tussen het gebouw en Alewijnse toch nog goed gekomen is.

De Bastei in Beeld: Cees Alewijnse
Foto: Jos Schoots

Cees schetst in grote lijnen de geschiedenis van het familiebedrijf: "Mijn grootvader Cornelis is geboren op Walcheren. Alewijnse is een echte Zeeuwse naam. Hij was technicus en werkte bij Achilles de Khotinsky, een Russische uitvinder en ondernemer, die in Rotterdam de allereerste gloeilampenfabriek in Nederland had. Daar heeft hij de fabricage van gloeilampen geleerd en is in contact gekomen met een zekere Roothaan. Ze hebben samen besloten een gloeilampenfabriek te beginnen in Nijmegen, waarschijnlijk omdat de lonen hier veel lager waren dan in het westen van het land. Rond 1889 zijn ze gestart: Roothaan, Alewijnse & Co., gevestigd aan de Dominicanenstraat. Dat was toen nog maar een zandweggetje."

Die gloeilampenfabriek werd geen groot succes, want er was enorm veel concurrentie en ze hadden de massafabricage van gloeilampen toch niet goed onder de knie. De lampen waren verschillend van sterkte en levensduur en dat heeft hen de kop gekost. In 1900 zijn ze gestopt en toen is mijn grootvader als elektro-installateur naar de Waalkade verhuisd. Installateur was een heel nieuw vak, want elektriciteit bestond nog maar nauwelijks. Overal was de verlichting nog met gaslampen, maar elektriciteit begon aan haar opmars en er ontstond behoefte aan mensen die dingen konden aanleggen. Er was toen zelfs nog geen elektriciteitscentrale in Nijmegen. Die dateert van 1908."

"Hij is dus begonnen in het pand naast de Stratemakerstoren. Pas veel later, in 1920 of '22, kocht de firma de Nederlandse Omnietfabriek, een bakelietperserij. Daarvoor zijn de aanpalende panden gekocht en ingericht als fabriek. De Stratemakerstoren werd als kelder gebruikt. Toen er centrale verwarming werd aangelegd, is in de weergang een grote olieketel neergezet. In die tijd werden de verschillende machines in fabrieken als schoenfabrieken en steenfabrieken aangedreven met één centrale elektromotor en een assensysteem met aandrijfriemen. De motoren en de leren riemen daarvoor kwamen bij ons vandaan en de weergang was een ideale opslagplaats voor de riemen, omdat ze daar niet uitdroogden. Bovendien was daar een magazijn voor accuzuur, want ze maakten zelf accu's in die tijd, en voor verschillende andere materialen.

In 1942, dus tijdens de oorlog, is het hoekpand gekocht. Daar zat toen papierfabriek Van Eekhof, waar ze zakjes maakten. We noemden dat in Nijmegen een tuutjesfabriek. Dat pand is als laatste aangekocht aan de Waalkade. Het bedrijf werd alsmaar groter. En in de oorlog is er natuurlijk hevig gebruik gemaakt van de gangen van de Stratemakerstoren, omdat die buitengewoon veilig waren door de dikke muren. Er lag ook nog een heleboel grond op, want de Stratemakerstoren was gevuld met grond. 's Nachts sliepen er mensen uit de benedenstad op britsen, ik denk wel meer dan honderd. Ze probeerden dan de volgende dag ondanks alle beschietingen toch weer op een of andere manier aan de kost te komen. Het was de veiligste schuilkelder die je in Nijmegen vinden kon.

De Bastei in Beeld: Cees Alewijnse
Foto: Jos Schoots

Je kon in de oorlog bijna niet meer aan materialen komen, ook niet voor de kunststoffenfabriek, want ze moesten uit Duitsland komen. Maar de firma is er goed doorheen gekomen, zij het heel moeizaam. De familie woonde op de bovenste verdieping naast de Stratemakerstoren, maar later is er een doorbraak gemaakt naar een soort serre bovenop de Stratemakerstoren, aan de voorkant. Dat was een prachtige kamer, waar je een schitterend uitzicht had op de Waalkade en aan de achterkant liep je de tuin in. Die lag veel hoger dan de Lange Baan. Dus daar moest je weer twee verdiepingen naar beneden.

Na de oorlog ontstond er wel enig besef dat er op deze plek iets bijzonders aan de hand was. Er is ooit een excursie geweest van een historische vereniging naar het 'rondeel in het pand van Alewijnse'. Men dacht dat daar verbindingen waren met het gangenstelsel in het Valkhof. Dat blijkt helemaal niet het geval, maar daar kwamen ze op af.

We hebben nog tot 1980 aan de Waalkade gezeten. Tot die tijd hebben we ons met verbouwingen en aanpassingen kunnen redden. Het was zo nu en dan wel gevaarlijk, want de grondstoffen voor de kunststoffenfabriek - dat was nogal gewichtig spul en dat lag op de zolder. Je hoorde het soms piepen en kraken. Dus toen is in 1980 het besluit genomen om aan de Energieweg een compleet nieuwe fabriek voor de kunststoffenfabricage neer te zetten en daar is uiteindelijk het hele bedrijf naar overgehuisd.

Ik ben nog wel betrokken geweest bij de oprichting van museum De Stratemakerstoren. Ik werd op een gegeven moment benaderd door Wim de Mul, een heel actief lid van een archeologische vereniging. Intussen was de Stratemakerstoren ontmanteld, de grond was eruit gehaald, de panden aan de voorkant waren gesloopt en er was een grijze muur omheen gebouwd. De gemeente had alle mogelijke moeite gedaan om dat geheel exploitabel te maken, maar kon niemand vinden die daar in wilde stappen en Wim de Mul kwam met het idee om daar de archeologische vereniging onder te brengen. Er zouden demonstraties gegeven kunnen worden van dingen die herinneren aan het verleden, zoals het bakken van urnen en het restaureren van vondsten. Ik dacht: oké, laten we eens kijken wat we ermee kunnen. De mensen van de archeologische vereniging zijn gaan graven, allemaal vrijwilligerswerk. Aan de achterkant zijn er oude ruimten te voorschijn gekomen, onder meer een beerput. En met de financiën die we bij elkaar scharrelden, hebben we de Stratenmakerstoren zo kunnen inrichten dat het exploitabel werd. Dat was het begin van museum De Stratemakerstoren. Dat is wonderwel in stand gebleven. Gerard Alofs heeft de boel voortdurend aan de praat kunnen houden met wisseltentoonstellingen. Dat is heel goed gelukt. Gelukkig maar, want nu heeft De Bastei daar bij zijn opening feest kunnen vieren. Als we dat toen niet gedaan hadden, was het nooit wat geworden."

Tekst: Jos Schoots
Interview: 6 februari 2019