Column: De lift
In de lift bij de veertrappen passen twee fietsen. Als ik na mijn werk bij De Bastei naar huis ga, neem ik vaak die lift en als er dan nog een fietser komt aanrijden, gebaar ik dat er nog plaats is in de cabine. Niet iedereen weet dat er nog een fiets bij past en soms reageert de fietser verbaasd, maar na wat manoeuvreren lukt het altijd. De lift naar boven doet er net lang genoeg over om een praatje te maken en dat je je best hebt moeten doen om elkaar de ruimte te geven, nodigt daar blijkbaar ook toe uit.
'Mooie fiets!,' zei ik laatst tegen een man.
'Nou die van u, dat is ook een heel goeie,' zei hij.
'U hebt er verstand van.' Ik zei het op een toon die zowel een constatering als een vraag kon inhouden.
'Nou, ik heb in die business gezeten, dus ik zie dat meteen. Maar, weet u, tegenwoordig is het allemaal nep. Al die zogenaamd fantastische fietsen komen rechtstreeks uit China. Dacht u nou werkelijk dat er nog kwaliteit gemaakt werd? Dat er nog één fiets uit een fabriek hier in Holland komt? Pure nep. En kassaaa!'
Intussen keek ik vol bewondering naar zijn poepchique e-bike. Hij was in een citroengele kleur uitgevoerd en elk denkbaar accessoir zat erop. De man zag me kijken.
'Die fiets van mij, wat denkt u dat die gekost heeft? Nou, ik zal het maar meteen zeggen: vierduizend euri, vierduizend! En weet je wat de detailhandel ervoor betaalt? Nog geen zevenhonderd. Ik kan het weten, ik zweer het u. Het is allemaal nep tegenwoordig, oplichterij.'
Toen de liftdeuren open schoven en ik als eerste naar buiten stapte, riep hij me nog na: 'En stemmen doe ik ook niet meer. Op welke partij je ook stemt, je wordt er nooit één euro wijzer van.'
Bij een andere gelegenheid trof ik een boomlange, nogal massieve kerel. Hij kwam ietwat onvast naar de lift gelopen en bekeek mij onzeker. Ondanks zijn imponerende gestalte straalde hij geen spoortje agressie uit. Op weg naar boven zei hij aarzelend: 'Ik geloof dat ik een beetje dronken ben. Kunt u dat aan mij merken, meneer? Denkt u dat mijn moeder het in de gaten krijgt?'
Onmiddellijk schoot de liftcabine mij terug in de tijd. In mijn puberteit dronk ik weleens heimelijk met mijn vrienden een pilsje. Als ik thuis kwam, constateerde mijn moeder meteen verwijtend dat ik gedronken had. Ze had zo'n goede neus dat ze dat al door de brievenbus rook, nog voordat ik de deur geopend had. In mijn studententijd was mijn moeder meestal nog op als ik thuis kwam na een avond stappen, want ze beweerde niet te kunnen slapen voordat ik in bed lag. Ik vond het vervelend dat ze mij verantwoordelijk hield voor haar slapeloosheid. Soms had ik geluk en sliep ze wel. Maar op een keer kon ik mijn sleutel niet vinden. Wanhopig zocht ik mijn zakken af, steeds opnieuw. Hoe moest ik nu ongemerkt binnenkomen? Ik zag dat aan de achterkant van het huis het slaapkamerraam van mijn zusje open stond. Ondanks mijn wankele toestand lukte het mij over de schutting in de achtertuin te klimmen. Daarna klom ik via de appelboom op het schuurdak dat grensde aan het glazen dak van de serre. Via de stalen profielen van dat dak bereikte ik het raam van haar slaapkamer. Dat ik niet door het glas ben gevallen mag een wonder heten. Helaas, zodra ik met één been over de vensterbank de kamer van mijn zusje bereikt had, werd zij wakker en zette het in paniek op een gillen. Zo viel ik alsnog, niet door het dak, maar door de mand.
Jos Schoots